How to die propagandistically en waarom bijvoeglijke naamwoorden moeten botsen

bijvoeglijk naamwoord moet botsen

‘As a reluctant owner of a Great Russian Soul,’ schreef Irina Reyn deze week op Medium; ‘I had always been interested in time.’

A reluctant owner.

Daar gaat het om.

Om dat bijvoeglijke naamwoord, dat schuurt.

En botst.

Mooi

Lang geleden, in de tijd van vóór de smartphones, fietste ik langs een spoorbrug in Utrecht.

Iemand had witte letters gekladderd op het roest:

‘Romantisch verbitterd’.

En een pijler verder: ‘Zakelijk geroerd’.

Ik heb geen idee meer waarom ik daar fietste. Of wat voor weer het was. Maar ik voel nú nog hoe mijn hart open sprong.

Zakelijk geroerd

Sommige mensen raken euforisch van schoenen.

Anderen van goedgelukte grafieken.

Ik heb het met taal.

Conceptuele bevrediging

‘Hank was not accepted at Harvard Law school’ schrijft John Updike; ‘but goodhearted Yale took him.’

‘They were our friends’, schrijft Roddy Doyle,’because we hated them.’

‘Get over your fucking self.’

Voor meer opbeurende teksten op gratis desktop wallpaper: klik op het plaatje

Voor meer opbeurende teksten op gratis desktop wallpaper: klik op het plaatje

Verrassen

Dat doet een goeie tekst.

Natuurlijk, hij is vlekkeloos geschreven. Strak gepolijst.

Uiteraard, er staan ideeën in. Nieuwe.

En ja, het helpt als hij je aan het lachen maakt.

Maar verrassing is de éérste vereiste.

In het groot. En in het klein.

Een grote verrassing:

Een nieuwe schrijver ontdekken.

Een nieuw onderwerp vinden.

Een nieuwe manier van kijken tegenkomen.

Een kleine verrassing:

Een ongewone metafoor.

Een woord dat op een nieuwe manier is ingezet.

Een aanrijding tussen een bijvoeglijk naamwoord en een zelfstandig naamwoord.

Dat maakt mij nou ruimhartig jaloers:

Digital grief.

Bright as a Nazi lampshade.

En dit:

Higgledy-piggledy
President Jefferson
Gave up the ghost on the
Fourth of July.

So did John Adams, which
Shows that such patriots
Propagandistically
Knew how to die.

(Arthur W. Monks: Twilight’s Last Gleaming, 1967)