Zoon

zoon

Ik lig met een boek op de bank als de bel gaat. Ik zucht. Maar als ik opendoe is het mijn zoon.

‘Ik heb maar heel even’, zegt hij. Hij ziet er gewoon uit. Hij draagt zijn zwarte houtje-touwtje jas. Hij heeft nog steeds een grote bos krullen, al weet ik dat je er op zijn achterhoofd al een beetje doorheen kijkt. Ik steek voorzichtig mijn hand uit naar zijn wang.

‘Je mag me niet aanraken’, waarschuwt hij. ‘Gaan we naar binnen?’

We lopen de kamer in. Over het groene kleed, waar de politieagente op haar knieën zakte. Ze had tranen in haar ogen: herkent u deze tas?

Ik vroeg me af waarom ze zich zo klein maakte: het was niet háár schuld. ‘Kut’, zei ik, en mijn man duwde tegen mijn been: gedraag je. ‘Het ís toch kut’, zei ik. En tegen de agente: ‘Sorry, het is geen verrassing. Shit. Shit. Shit.’

Frits gaat op zijn eigen plekje op de bank zitten. Bedaard. ‘Ik kom even kijken of het goed met jullie gaat. Het spijt me dat het zo gelopen is.’

‘Mij ook’, zeg ik; ‘mij ook, schat. Het spijt me zo. Maar het is goed, zo. Alles is goed.’

blad